Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn

“Alles wat groot is begon ooit klein. Je hoeft niet meteen een vlinder te zijn”.

Een zin die troost gaf in de weken dat er twee meisjes in twee couveuses lagen op de NICU. Ja, ze zijn klein. Piepklein. Maar alles wat groot is, begon ooit klein.

Onze dochters kwamen na een zorgeloze zwangerschap van 29 weken en 4 dagen ter wereld. Ik was een stralende zwangere, genoot van mijn steeds groter wordende buik waarin meer en meer leven te voelen was. En toen waren ze er opeens, totaal onverwacht. ’s Ochtends, eigenlijk nog steeds zorgeloos, met wat bloedverlies naar het streekziekenhuis, aan de weeënremmers, toen met gillende sirenes afgevoerd naar het academisch ziekenhuis en ’s avonds zaten we naast twee couveuses met daarin onze dochters. Twee dochters die eigenlijk pas 10 weken later geboren hadden moeten worden. Een achtbaan van emoties volgde. Na drie dagen moest ik naar huis, onze meisjes bleven achter. Hun situatie was stabiel, maar de artsen konden geen garantie geven dat we beide dames ooit gezond en wel mee naar huis zouden kunnen nemen.

4 weken NICU, 7 weken streekziekenhuis, vele onderzoeken en een mislukte thuiskomst later, kwamen onze meisjes écht naar huis. Gevoelens van geluk en angst wisselden elkaar in razend tempo af.

Zó blij dat onze kinderen eindelijk thuis zijn. En tegelijk zó bang dat er weer wat met ze zou gebeuren en we ze weer zouden moeten laten gaan. Heel dubbel.

Het eerste jaar was heftig. De kinderarts adviseerde ons om de meisjes het eerste jaar niet naar een KDV te laten gaan. Niet naar de supermarkt. Niet in grote mensenmassa’s. Want ze zijn kwetsbaar. En ze moesten hun energie nu stoppen in groeien en niet in ziek zijn. Dat versterkte mijn gevoel van onveiligheid alleen maar. Daarbij kwam de hele riedel van maandelijkse Synagisprikken ter vergroting van de weerstand tegen het RS-virus, fysio aan huis, controles bij de kinderarts en daar bovenop nog de angst voor de Mexicaanse griep. Keer 2. Mijn handen waste ik kapot. Ik wilde niet dat er ook maar een bacterie of virus bij onze kindjes in de buurt zou komen. Je zou bijna vergeten om te genieten. En dat gebeurde dus ook.

Toen onze meisjes 1,5 jaar waren kwam het omslagpunt. Op een dag werden ze allebei zo ziek dat we op de Spoedeisende Hulp terecht kwamen. Wat was ik bang toen het ziekenhuis belde met de mededeling dat uit de testen was gekomen dat het het RS-virus was. Maar de meisjes redden het zelf, zonder ziekenhuisopname. Het virus waar ik zo verschrikkelijk bang voor was, hebben ze glansrijk doorstaan. En dat gaf vertrouwen. Langzaam maar zeker maakte de angst om ze te verliezen plaats voor het durven genieten.

Want ze zijn er! En ze blijven!

Inmiddels zijn onze dochters 3,5 jaar en bereiden we ons voor op de basisschool. Wie had dat durven dromen, 3,5 jaar geleden! Het zijn blije, energieke meisjes die veel kletsen en liedjes zingen, samen giechelen en kattenkwaad uithalen. Die van het leven genieten. Die zich ontpoppen tot mooie vlinders.

Alles wat groot is, begon ooit klein. En soms piepklein.

“Alles wat groot is, begon ooit klein” is een zin uit het liedje ‘Vlinders’ van Marco Borsato.

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn