Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn

Ik wist niet dat kindjes zo klein kunnen zijn, dat er luiers maat 0 bestaan, en wat de piepjes van een monitor betekenen. Daar kwam ik pas achter toen ik moeder werd van een te vroeg geboren meisje. Tot die dag wist ik ook niet dat je er, behalve een prematuur kind, nog veel meer bij krijgt: drie kinderartsen, vijftien verpleegkundigen van wie je de namen steeds door elkaar haalt, twee fysiotherapeuten, een dame van de NIDCAP-methode, een maatschappelijk werkster, twee lactatiedeskundigen die allebei iets anders zeggen, de portier van het ziekenhuis die je na zes weken als innig familielid beschouwt, en de andere ouders. Maar daar kwam ik snel achter.

Die ouders vormen een rare categorie. Allemaal ben je eerder dan gepland vader of moeder geworden en allemaal ben je onzeker over de toekomst van je kind en over jezelf als ouder. Maar toch voelde ik een soort concurrentie, alsof er elk moment een prijs voor de beste couveuseouder kon worden uitgereikt.

‘Zijn de ouders van Lars er nou alweer of nog steeds?’ vraag ik aan mijn vriend, als we voor de tweede keer die dag de zaal op lopen. Die twee bezoeken per dag vind ik erg vermoeiend, maar ineens lijkt het weinig voor te stellen. De ouders van Lars maken ook altijd heel veel foto’s, met een grote spiegelreflexcamera.

‘Zij moeten echt niet zeuren,’ mopper ik nadat een moeder me heeft verteld over hun situatie, ‘hun zoon weegt al 1.850 gram.’
De ouders van het buurjongetje fluisteren altijd met elkaar en zetten telkens het kamerscherm tussen de twee bedjes. De moeder is non-stop aan het kolven, haar kind drinkt ook al uit de borst en weegt meer dan het onze. Maar als ik binnenkom en hardop ‘hallo’ zeg, kijken ze met ernstige gezichten op.

De moeder van Sebastiaan, die nog lang niet naar huis mag, vertelt over de man van het benzinestation die een nicht had met een kennis die ook een prematuur had gekregen, ‘nou,’ had die man gezegd, ‘dat zie je nog steeds’. Ze lacht erom. Later vraag ik me af of ik wel net zo optimistisch ben als zij. En er zijn zelfs dagen dat ik denk dat de andere ouders hun handen bij binnenkomst beter ontsmetten dan ik.

Misschien bestaat lotgenootschap niet op het moment dat je er middenin zit, ben je te druk met het geruststellen van je familie en vrienden, met geboortekaartjes maken en met overleven, en heb je helemaal geen tijd voor nieuwe mensen met dezelfde verhalen als jij. Toch waren de andere ouders de enigen die ons tijdens de couveuseperiode echt hadden kunnen begrijpen. En andersom. Als ik onze foto’s uit die tijd bekijk, herinner ik me ineens de ouders van Lars. Ik zou ze best nog eens willen spreken. En van ze horen hoe het met Lars gaat.

Laura van Mourik werkt als redacteur en journalist. Ze schrijft o.a. over couveusekinderen en alles wat daarmee te maken heeft. Zie voor meer informatie haar LinkedIn profiel.

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn