Weeënremmers

Als een vroeggeboorte zich aandient proberen artsen, als dit nog mogelijk is, de bevalling uit te stellen met weeënremmers. Vaak met als belangrijkste redenen; de tijd hebben longrijpingsmedicijnen (corticosteroïden) toe te dienen, de conditie van de baby te verbeteren of de moeder over te plaatsen naar een ander ziekenhuis. Soms worden weeënremmers gegeven terwijl er (nog) geen weeënactiviteit is waargenomen. Bijvoorbeeld bij te vroeg gebroken vliezen.

Weeënremmers zijn bedoeld om de weeënactiviteit te verminderen of te stoppen. Helaas lukt dat vaak niet meer dan een paar uur of een paar dagen. Natuurlijk zijn er altijd uitzonderingen en verdwijnen de weeën wel volledig.

Het toedienen van weeënremmers kan bijwerkingen veroorzaken. De moeder kan last krijgen van een opgejaagd gevoel, hartkloppingen, trillen van handen en voeten en transpireratie. Het kindje zelf kan ook een verhoogde hartslag krijgen. Misselijkheid en braken komen ook nogal eens voor.


Soms worden er geen weeënremmers gegeven

Voor 24 en na 34-36 zwangerschapsweken worden er over het algemeen geen weeënremmers gegeven. Wanneer een kindje voor 24 zwangerschapsweken geboren dreigt te gaan worden, wordt er in Nederland niet actief behandeld om het kindje in leven te houden. Dit gebeurt pas vanaf 26 weken. De indringende documentaire Als we het zouden weten en het boek Het Onvoltooide Kind gaan over de moeilijke discussie over dit onderwerp.

Na 34-36 zwangerschapsweken is de overlevingskans van kinderen zodanig groot dat het over het algemeen niet noodzakelijk meer is om de geboorte uit te proberen te stellen.