Beademing

Als je baby beademd wordt, zal het worden ‘geïntubeerd’. Dit houdt in dat het via een ‘tube’ (een slangetje) wordt beademd. Via de neus of de mond loopt de tube door de keel tot in de luchtpijp bij de longen. Je kind kan nu geen geluid maken, omdat de tube voorbij de stembanden ligt.

Bij beademing kan de ademhaling geheel of gedeeltelijk overgenomen worden. Er kan met verschillende vormen van beademingsmachines worden gewerkt. Bij ‘standaard’ beademing wordt er lucht, eventueel met extra zuurstof, in de longen geblazen, waardoor de longen met een bepaalde druk opengaan. Dit lijkt het meest op de normale ademhaling. De machine wordt zo ingesteld dat het kindje een aantal ademteugen krijgt. Meestal kan het kindje ook zelf mee ademen. De machine past zich aan de ademhaling van het kindje aan.

Hoog Frequente Beademing

Een andere vorm van beademing is de ‘hoog frequente’ beademing (Hoog Frequente Beademing, HFO, of Hoog Frequente Ventilatie, HFV). Hierbij worden met heen heel hoge frequentie heel kleine beetjes van een lucht-zuurstof mengsel in de longen geblazen. Hierdoor worden de longblaasjes minder uitgerekt en is de kans op longschade kleiner. Door de hoge frequentie van het toedienen van de lucht ligt het kindje voortdurend te trillen. Dit is een naar gezicht, maar voor het kindje is het niet vervelend. Je kindje kan ook nog zelf mee ademen.