Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn

Wat begon als een bijzondere en toch best onbezorgde zwangerschap, eindigde na 25 weken in een zenuwslopende tijd. Op dat moment kondigde de geboorte van onze tweeling zich aan.
In die 25 voorafgaande weken had ik ooit wel eens nagedacht over borstvoeding. Ik kan me zelfs nog vaag herinneren dat ik wat gelezen heb over het gelijktijdig voeden van je tweeling en dat die houdingen me behoorlijk ondoenlijk leken. Dat was waarschijnlijk een van de redenen om het boek weg te leggen en me voor te nemen me daar later nog eens in te verdiepen.

Helaas, kwam dat later niet…

Plotseling was ik moeder van twee piepkleine jongens. Zo onverwachts en spannend, dat het laatste waaraan ik dacht de borstvoeding was. Sterker nog, als een van de verpleegkundigen op de kraamafdeling niet zo slim was geweest om mij er een dag na de geboorte van de jongens naar te vragen, was het waarschijnlijk niet eens in mijn hoofd opgekomen.
‘Wil je borstvoeding gaan geven?’ ‘Ehm…ja, ik denk het wel.’ ‘Dan moet je nu gaan kolven!’ En voordat ik, nog stoned van de morfine, kon vragen wat dat dan inhield stond er iemand aan mijn bed met een geel apparaat op wieltjes en in haar hand een ding wat veel weg had van een trechter. Dat bleek dus het kolfapparaat te zijn.
Ik kreeg een korte uitleg en moest toen aan de gang met slangen, toeters en een machine die hele vreemde geluiden maakte. Verstopt achter het gordijn rond mijn bed begon het ‘melken’.

Trots was ik toen bleek dat ik de eerste keer al veel afkolfde. Wel 10 milliliter. En dat terwijl de jongens nog niet meer kregen dan 24 keer één milliliter per dag.
Vanaf toen kolfde ik als een bezetene. Zes keer per een dag. In het ziekenhuis, op de intensive care afdeling, ‘gezellig’ met andere moeders in een speciale ‘kolfkamer’, tussen de couveuses van de jongens in, op mijn kamer in het Ronald McDonaldhuis, voor mijn gevoel overal. En, hoe erg misschien ook, ik had geen enkele gêne meer. Of er nu mensen bij zaten of niet (nou ja, uitzonderingen daargelaten), ik ging met de borsten bloot en sloot mezelf aan, aan de ‘melkmachine’. En het kon me niets schelen. Dit was het enige wat ik, voor mijn gevoel, voor mijn kinderen kon doen. Ik zou doorgaan tot het bittere eind.

En zo legde ik een steeds grotere voorraad aan. Ik bleef maar produceren, terwijl de jongens eigenlijk nog heel weinig voeding kregen, en bracht iedere dag braaf mijn flesjes mee naar het ziekenhuis, waar ik ze in de daarvoor bestemde koelkast zette en de verpleging ze later in de vriezer stopte. Tot op een dag een verpleegkundige schoorvoetend naar me toe kwam om te vragen of ik misschien een grote vriezer had, want ze konden bijna geen melk meer kwijt in de vriezer op de afdeling. Niet alleen van mijn kinderen, maar ook van andere kinderen.
Wat baalde ik, want ik had geen grote vriezer. Wel thuis, zo’n anderhalf uur rijden vanaf het ziekenhuis. Hoe zou ik het daar krijgen zonder dat de melk al teveel ontdooit was en dus niet meer te gebruiken? In het Ronald McDonaldhuis zat het mij toebedeelde vriesvakje ook al vol. Wat nu?
Helaas bestond er toen nog geen moedermelkbank, dat heb ik wel voorgesteld. Wat had ik graag mijn melk gedoneerd, maar dat was echt niet mogelijk. De enige oplossing was dan ook weggooien… Met pijn in mijn hart is de overtollige melk in een vuilniszak gestopt en verdwenen in een afvalcontainer.
Toch liet ik me niet uit het veld slaan en ben ik ‘vrolijk’ verder gegaan met kolven. Het ging nog steeds prima en ik hield me voor dat dat ervoor zorgde dat het zo goed ging met onze jongens.

Toen was het moment daar dat we onze kanjers mee naar huis mochten nemen. Na 13 weken ziekenhuis en dus ook 13 weken fulltime kolven, waren ze eindelijk waar ze hoorden; thuis. Het was flink wennen. We waren moe, aan het bijkomen van alle spanningen, nog steeds behoorlijk voorzichtig en bang, maar vooral druk in de weer met twee kleine baby’tjes die naast gewoon wat aandacht ook heel veel verzorging nodig hadden. Mijn dagen waren gevuld met luiers verschonen, kolven, flesjes geven en ook nog ‘live’ borstvoeden. Zeven voedingen x2, veertien voedingen op een dag. De ene een flesje, de ander een borst en daarna nog even kolven, zodat er weer genoeg was voor de volgende voeding. Niet zo gek dat ik op een gegeven moment door de bomen het bos niet meer zag. Ik vond mezelf, zwaar over mijn toeren, in een stoel. Aan iedere borst een ‘kolftoeter’, de tranen over mijn wangen en niet de rust om even bij te komen, want de volgende voeding kwam er weer aan. Het enige wat ik nog kon uitbrengen was: ‘Ik kan niet meer…’. Voor mijn vriend het moment om figuurlijk én letterlijk de stekker eruit te trekken. Ik zou bijna zeggen ‘getergd door schuldgevoel’ heb ik toen het besluit genomen om ermee te stoppen. Cold turkey. Geen polonaise meer aan mijn lijf. Mijn geweten werd iets gesust door een voorraad melk die nog in de vriezer stond. Maar achteraf ben ik zo blij dat ik toen dat besluit heb genomen.

Mijn kinderen hebben ruim vier maanden borstvoeding gekregen. Dat is wat ik voor ze heb kunnen doen. Daarna kregen ze naast ‘mama melkfabriek’ ook een moeder die weer meer energie had om goed voor ze te zorgen en een leuke moeder te kunnen zijn. Ik weet nu wel dat dat nog veel belangrijker is. Want dat is wat ze zich later nog herinneren. Niet of ze borst- of flesvoeding hebben gekregen, wel of ze een leuke moeder hadden.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterPin on PinterestShare on Google+Share on LinkedIn